Kauwen

Een baby kan kauwen vanaf 7 à 8 maanden. De wurgreflex verplaatst zich rond die periode van halverwege de tong naar achteren.
Doordat baby’s vast voedsel en speelgoed in de mond steken, verandert de gevoeligheid. Het heeft ook te maken met de rijping van het zenuwstelsel. Geef uw kind dus ook speelgoed met uitsteeksels (speelsleutels/lepels) om dit te stimuleren. Uw kind geeft het vaak zelf aan; hij kluift overal op.
Begin gerust met het geven van vast voedsel. U kunt dat beter niet uitstellen tot na de gehemeltesluiting. Als een kind pas als hij ouder is dan 12 maanden voor het eerst vast voedsel krijgt, duurt het vaak veel langer voordat hij er aan gewend is.
De eerste stap kan zijn om het warme eten grover te maken.

Varieer met tussendoortjes van verschillende samenstelling zoals:

  • babykoekjes;
  • cracotte;
  • broodkorst;
  • stukje brood in de wangzak, eventueel geweekt in melk of soep.

Probeer uit wat beter gaat: droog of juist wat plakkerig (oud brood en bruin brood is minder plakkerig). Geef kleine beetjes vast voedsel tegelijk, zodat het kind het niet kan verzamelen. Laat uw kind zelf zitten in de kinderstoel of in een wipstoeltje of neem hem/haar op schoot. Als het voedsel in de neus gaat, geef hem dan iets te drinken. Bij verslikken en hoesten kan een kind ook gaan spugen. Bij benauwdheid kunt u met uw pink het voedsel achter uit de mond verwijderen.

Probeer vaste voeding liever niet uit als uw kind een volle maag heeft. Het beste is dat u iedere dag wat oefent. Dan verbetert de techniek het snelst. Uw kind kan moeite hebben met stukjes in de voeding. Laat hem hier langzaam aan wennen. Als een kind na 12 maanden nog moeite heeft met kauwen, geef hem dan zoute of taaie hapjes, bijvoorbeeld rookvlees en zoutjes als wokkels en nibbit. Die lokken namelijk beter kauwen uit.