Voeding

Voeding
Kinderen met een lip-, kaak-, en/of gehemeltespleet kunnen problemen hebben met de voeding. Hoe groot die voedingsproblemen zijn, hangt af van de soort spleet. Kinderen met alleen een lipspleet hebben er het minste last van. Voor kinderen met een complete lip-, kaak- en gehemeltespleet is het vaak moeilijker om te leren drinken en eten. De informatie op deze site betreft het ‘normale’ voeden van baby’s met een lip-, kaak- en/of gehemeltespleet. Deze site bevat algemene voedingsadviezen en informatie die speciaal gericht is op de verschillende vormen van schisis.

Normale anatomie
Op de doorsnede van het hoofd van een volwassene en van een baby  (figuur 1) zijn belangrijke verschillen te zien:

  • De ruimte van de keelholte is bij de volwassene veel groter dan bij de baby.
  • Het strotklepje ligt bij de baby veel dichter bij het achterste gedeelte van het gehemelte: het zachte gehemelte.
  • Het strotklepje beschermt de ingang van de luchtpijp als een soort paraplu.

voeding1

figuur 1: hoofddoorsnede volwassene (links) en baby (rechts)

Reflexen
De eerste paar maanden reageert een baby via reflexen op zijn omgeving. Als hij honger heeft gaat hij zoeken naar de speen of tepel. Bij een aanraking van zijn wang draait hij zijn hoofd in de richting van die prikkel en tuit hij zijn mondje.
De zuig- en slikreflex horen bij elkaar: de baby slikt als reactie op de zuigbeweging. De zuigreflex gebruikt u als u de baby zoet wilt houden of troosten: u laat hem op onze pink of op een fopspeen zuigen.
De bijtreflex voelt en ziet u als de ritmische ‘knabbel’-beweging. Hiermee drukt het kind de melk uit de speen of tepel. Deze reflexen houden een kind in leven.
De wurg- of kokhalsreflex moet de luchtwegen beschermen. Als de voeding toch in de luchtpijp dreigt te gaan, zal uw kind gaan hoesten. De wurgreflex en de hoestreflex blijven het hele leven actief. De andere reflexen zijn tot drie à vier maanden duidelijk aanwezig. Daarna worden ze minder sterk. Na acht maanden worden ze geleidelijk vervangen door willekeurige, bewuste bewegingen.

Mondmotoriek

Als een baby drinkt, sluit het strotklepje het zachte gehemelte af van de neusholte. Dat is te zien op figuur 2. Daardoor ontstaat een aparte voedselbaan naast een ademhalingsbaan.
Bij het slikken wordt de ademhaling kort onderbroken. Uw kind kan tijdens het zuigen normaal doorgaan met ademhalen. Dit mechanisme werkt de eerste drie à vier levensmaanden. De volgende vier maanden werkt het steeds minder. Dit mechanisme wordt geleidelijk overgenomen door willekeurige, bewuste motorische bewegingen.

 

voeding2

Om melk uit de speen te kunnen zuigen moet er negatieve druk ontstaan in de mond. Dat gaat als volgt:
De tong ligt tegen het gehemelte en de lippen sluiten goed om de speen heen. Als dan de onderkaak naar beneden beweegt bij het zuigen, ontstaat die negatieve druk. Pas dan kan de baby de melk uit de speen zuigen.
Voor het drinken is het gehemelte dan ook heel erg belangrijk.